Het bekende beeld van een officier van justitie is iemand gekleed in toga in de rechtszaal. Maar de zitting is slechts een klein onderdeel van je werkzaamheden. Al ver voordat een zaak voor de rechter komt ben je aan zet. De veelzijdigheid en verantwoordelijkheden maken je werk enorm afwisselend, uitdagend en waardevol. Wat doe je als officier allemaal?

Bekijk de vacature

Het werk van een officier in 10 taken:

  1. Je leidt het onderzoek
  2. Je bepaalt de strategie en hakt knopen door
  3. Je werkt samen met partners in binnen- en buitenland
  4. Je bepaalt of een verdachte wordt aangehouden en vordert eventueel de voorlopige hechtenis bij de rechter
  5. Je besluit over strafvervolging
  6. Je spreekt met het slachtoffer of nabestaanden
  7. Je bereidt een passende strafeis voor
  8. Je legt zelf straf op bij kleinere vergrijpen
  9. Je houdt een requisitoir in de rechtszaal
  10. Niet eens met het vonnis? Dan ga je in hoger beroep
Bekijk de infographic

Als officier van justitie is het jouw taak verdachten te laten opsporen en berecht te krijgen. Dat betekent dat je bijna van a tot z bij een strafzaak betrokken bent.

1.   Je leidt het onderzoek

Een strafzaak begint vaak bij de politie met een spoor, melding of aangifte van een misdrijf. Zodra je hier als officier van justitie over bent ingelicht, begint voor jou het werk: jij leidt het opsporingsonderzoek.

Je zorgt dat het verzamelen van bewijs, zoals DNA-sporen, getuigenverklaringen en verhoren, zorgvuldig en volgens de regels gebeurt. Soms neem je als officier zelf een kijkje op de plaats delict. Hiermee krijg je een goed beeld van het misdrijf en het eventuele slachtoffer.

‘Als officier neem je plaats in de cockpit, je wordt er meteen ingezogen. Dat is het allerleukste’

2.   Je bepaalt de strategie en hakt knopen door

Als leider van het opsporingsonderzoek bepaal je de strategie en opsporingsmethoden. Gaan we over op afluisteren, inbeslagname van spullen of een doorzoeking? Voor sommige beslissingen heb je toestemming nodig van de rechter-commissaris, zoals het aftappen van telefoons of doorzoeken van een woning.  

Ook hak je knopen door. Welk bewijs is kansrijk? Wat willen we verder onderzoeken? Maar ook: wat laten we varen? Je hebt immers niet altijd genoeg tijd en capaciteit om alle aanwijzingen grondig te onderzoeken.

‘Je moet keuzes maken, je kunt niet alles onderzoeken. Als officier heb je het laatste woord’

3.   Je werkt samen met partners in binnen- en buitenland

Het opsporingsonderzoek doe je natuurlijk niet alleen. Je werkt nauw samen met je collega’s van het Openbaar Ministerie, de politie en andere instanties. Denk aan de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) bij fraude- en oplichtingszaken of het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) bij sporenonderzoek.

Bij opsporing ga je soms ook de grens over. Bijvoorbeeld wanneer de verdachte zich in het buitenland bevindt of wanneer sprake is van een internationaal netwerk. Hierbij werk je samen met onder meer buitenlandse politiediensten, de douane en Eurojust.

‘Criminelen houden zich niet aan stads- of landsgrenzen. Daarom is samenwerking zo belangrijk’

4.   Je bepaalt of een verdachte wordt aangehouden en vordert eventueel de voorlopige hechtenis bij de rechter

Zijn er aanwijzingen dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd? Dan geef jij bevel een verdachte aan te houden. Als dat al op heterdaad is gebeurd, vorder jij eventueel de voorlopige hechtenis bij de rechter-commissaris. Hierbij kijk je onder meer naar de ernst van de misdrijf, eventueel vluchtgevaar en of iemand een risico vormt voor het slachtoffer of de samenleving.

Soms besluit je dat iemand al moet worden aangehouden voordat een misdrijf is gepleegd. Bijvoorbeeld wanneer er aanwijzingen zijn voor een terreuraanslag. In dat geval wil je niet rustig afwachten. Veiligheid boven alles. Bovendien is het voorbereiden van een misdrijf ook al strafbaar.

‘Je wordt soms gedwongen beslissingen te nemen op basis van gebrekkige kennis’

5.   Je besluit of een verdachte voor de rechter moet komen

Essentiële vraag in jouw werk is: is er voldoende bewijs en noodzaak om iemand te laten berechten? Is het antwoord ‘ja’, dan kun je de strafzaak voorleggen aan de rechter. Die beoordeelt uiteindelijk hoe sterk het bewijs tegen de verdachte is en of die een straf krijgt opgelegd. Is het bewijs onvoldoende, het strafbare feit te gering of is de verdachte al genoeg gestraft? Dan kun je besluiten de zaak te seponeren. 

‘Als officier stond ik voor het dilemma: ga ik hem voorgeleiden of niet?’

6.   Je spreekt met het slachtoffer of nabestaanden

Een misdrijf en de strafzaak die hierop volgt hebben vaak flinke impact op betrokkenen. Voordat de zitting van start gaat, heb je dan ook meestal contact met het slachtoffer of de nabestaanden. Je legt uit wat ze te wachten staat en beantwoordt vragen. Zo’n gesprek voer je soms ook bij het seponeren van een zaak.

Het kan slachtoffers en nabestaanden helpen ook in gesprek te gaan met de verdachte. Wanneer je denkt dat zo’n confrontatie van waarde is, kun je mediation voorstellen. Dit is overigens geen vervanging van de strafzaak, maar een aanvulling.

‘Een gesprek tussen verdachte en slachtoffer levert vaak meer genoegdoening op dan een heel strafproces’

7.   Je bereidt een passende strafeis voor

Welke straf moet een verdachte krijgen? Bij het beantwoorden van deze vraag kijk je niet alleen naar het misdrijf, maar ook naar de impact op het slachtoffer, nabestaanden of de samenleving. Ook verzachtende omstandigheden, zoals leeftijd of geestelijke beperking, en iemands medewerking aan het strafproces of mediation weeg je mee in je strafeis.

Misschien heeft iemand zijn leven net weer op de rails. Dat soort zaken neem je mee in de strafeis’

8.   Je legt in sommige gevallen zelf een straf op

Niet in elke strafzaak is een rechter betrokken. Als officier van justitie kun je ook zelf straf opleggen. Zo kan je een strafbeschikking opleggen voor overtredingen en misdrijven waarvoor maximaal 6 jaar gevangenistraf kan worden opgelegd. Hierbij gaat het vaak om relatief lichte vergrijpen, zoals diefstal, een klein geweldsdelict of een verkeersovertreding.

Straffen die je als officier kunt opleggen zijn onder meer een geldboete, schadevergoeding, taakstraf van maximaal 180 uur en tijdelijk rij-, straat- of stadionverbod. Je kunt geen gevangenisstraf of voorwaardelijke straf opleggen.

9.   Je houdt in de rechtszaal je requisitoir

De zittingsdag is aangebroken. Nadat de rechter de verdachte heeft ondervraagd, is het jouw beurt. Gehuld in toga zet je vanachter het katheder uiteen hoe jij tegen de zaak aankijkt, welke bewijzen er zijn tegen de verdachte en wat je strafeis is. In je requisitoir heb je ook oog voor de positie van het slachtoffer.

Het kan zijn dat je tijdens de strafzitting tot nieuwe inzichten komt. Bijvoorbeeld door de houding van de verdachte of nieuw (ontlastend) bewijs. In sommige gevallen pas je hierop je strafeis aan: je eist een hogere of lagere straf of misschien wel vrijspraak.

10. Ben je het niet eens met het vonnis? Dan ga je in hoger beroep

Net als de verdachte heb je als officier van justitie de mogelijkheid na het vonnis in hoger beroep te gaan. Bijvoorbeeld als je de straf die de rechter oplegt te laag vindt. Het hoger beroep vindt niet plaats in de rechtbank, maar voor een gerechtshof. Dat betekent ook dat jij niet langer het Openbaar Ministerie vertegenwoordigt. Je taak wordt overgenomen door een advocaat-generaal van het OM. Dat is een officier van justitie in hoger beroepzaken. Hiermee zit jouw werk in de strafzaak erop.

Bekijk de vacature en solliciteer!

Wat je misschien ook interessant vindt:

Powered by Emply